Inspiratie: gedicht (M. Vasalis) en hemelse muziek (Bach)

Diep van mijzelf en van mijn zang vervreemd

hoor ik in twijfel niets dan toon na toon,

ontken de wijs, de oude, diep-beminde melodie,

ontken ik al wat naar verbinding zweemt,

ontdek ik in de grootste eenheid hoon.

Afzonderlijk, vervreemd, is alles wat ik zie.

 

Eén boom bespiedde ik, haast de ganse dag,

het regende gestaag en blad na blad

neeg naar beneden als een druppel woog

en drupte en rees zacht omhoog…

Zo regende het van blad op blad,

zo regende het de ganse dag.

 

Het regent en ik neig en rijs

met kleine wanhoop in het grijs

gemoed. Ik ben zo ziek…

Waar bleef de hemelse muziek,

de eenheid in het aardse zingen.

Ik hoor alleen, dat alles lijdt,

ziek van de veelheid van de dingen,

van hun volstrekte eenzaamheid.

 

Uit: De vogel Phoenix (1947), M. Vasalis

 

& Hemelse muziek (door Orkest van het Oosten)

 

 

 

 

 

Inspiratie: gedicht: Een meisje

Ze wacht.
Nee, denkt ze, ik wacht niet,
ik dans.

Ze danst,
ze danst met lange, ranke passen,
langzaam en aandachtig,
ze houdt haar ogen dicht,

ze danst door deuren en door ramen
en door lange lankmoedige dagen-
hout, glas en uren vallen in splinters rond haar neer-

en telkens als ze niet meer kan
en bijna, bijna valt,
denk ze: Ik?
ik val niet, ik dans.

Toon Tellegen
Uit: Kruis en munt
Querido/Poetry International,
Amsterdam/Rotterdam 2000.

 

Afbeelding: Edgar Degas (1834 -1917), Danseresje van veertien

Inspiratie: gedicht: Titus aan zijn schrijftafel*

Dit laat hij zien in het portret

van zijn zoon – het nadenken van een kind

hoe ernstig hoe stil dat gezicht is

hoe het kijkt alsof het kijkt in een verte

 

en je weet dat zijn ogen daar niets zien

dat hij kijkt naar iets achter zijn ogen

alsof hij zoekt naar woorden voor

wat er daarachter leeft

 

hij laat ook de hand zien van dat kind

hoe het met een duim op zijn kin

en met een pen op een papier

wacht op wat het gaat schrijven

 

en niemand weet waar het op wacht

ook dat kind niet

 

dat is wat wij zien – dat

iets niet geschreven kan worden

 

Rutger Kopland (Uit: “Geluk is gevaarlijk”, een keuze uit gedichten; uit: “Toen ik dit zag”)

 

*Bij het gelijknamige schilderij van Rembrandt, 1655

 

Titus aan zijn schrijftafel
olie op canvas

Zie hier het interview met de curator van het museum Boijmans van Beuningen over Rembrandt’s schilderij: “Titus aan de lezenaar”

 

Inspiratie: haiku’s van Basho

Een bezoek aan het Kashima heiligdom

De Japanse dichter Basho schreef vijf verhalen over de zwerftochten die hij in de 17e eeuw maakte door de onherbergzame streken van Japan. Gebeurtenissen onderweg, de schoonheid van het landschap en zijn eigen ervaringen worden afgewisseld met korte gedichten – haiku’s – waarin hij zijn belevenissen als in een flits weergeeft. Het reisverslag geeft een helder inzicht in het raadselachtige leven van de dichter, en de moeilijkheden die hij ondervindt bij het reizen en bij het zoeken naar zichzelf.

Denkend aan de dichter Teishitsu uit Kyoto, gaat Basho op een dag in de herfst weer op reis, bezeten door een onweerstaanbaar verlangen om de volle maan boven het Kashima Heiligdom te zien opkomen. Op deze reis werd hij vergezeld door twee mannen. De één was een jongeman die geen meester had en de ander een zwervende priester. In Fusa, een stad aan de rivier de Tone, huurden zij een boot, en terwijl ze onder de heldere stralen van de maan de rivier afvoeren, kwamen ze bij het heiligdom aan.

De volgende dag echter begon het in de middag te regenen en konden ze op geen enkele manier de opkomst van de volle maan zien.

Basho vertelt dan:

“Men vertelde mij dat de voormalige priester van de Komponji tempel op een eenzame plaats leefde aan de voet van de heuvel waar het heiligdom stond. Ik ging hem opzoeken en kreeg daar onderdak voor de nacht. Het was zo rustig in de kluizenaarshut van de priester dat het in de woorden van een oude dichter “een diep gevoel van meditatie” in mijn hart opriep, en gedurende enkele ogenblikken was ik tenminste in staat om het spijtige gevoel te vergeten dat ik had, omdat ik de opkomst van de volle maan niet had kunnen zien.

Kort voor het aanbreken van de dag begon de maan echter tussen een spleet in de wolken door te schijnen. Ik maakte onmiddellijk de priester wakker en de andere leden van de huishouding kwamen ook uit bed. We zaten lange tijd in uiterste stilte en keken naar het maanlicht dat probeerde om door de wolken heen te breken en luisterden naar het geluid van de druilerige regen. Het was werkelijk heel jammer dat ik zo’n lange weg had afgelegd om alleen maar naar de donkere schaduw van de maan te kijken, maar ik troostte mijzelf door aan de beroemde vrouw te denken die zonder één enkel gedicht te schrijven teruggekeerd was van een lange wandeling die zij gemaakt had om de koekoek te horen.”

 

Basho en zijn twee medereizigers hebben bij deze gelegenheid de volgende gedichten gemaakt:

Zich niet bekommerend om het weer

schijnt de maan hetzelfde;

maar door de drijvende wolken

lijkt het anders.

                (de priester)

 

De maan

even aan de hemel,

de boomtoppen eronder

druipen van regen.

                (Basho)

 

Nadat ik geslapen had

in een tempel,

keek ik naar de maan met een plechtige blik.

                (Basho)

 

Nadat ik geslapen had

in de regen,

richtte de bamboe zich vanzelf op

om naar de maan te kijken.

                (Sora)

 

Hoe eenzaam is het

naar de maan te kijken,

en in een tempel te luisteren

naar het kletteren van de regendruppels.

                (Sora)

 

Uit: Reisverslag van een verweerd skelet, Matsuo Basho

Vertaling uit het Japans naar het Engels: Robert Hartzema

Uitgeverij Meander, 1977

Inspiratie: gedicht: Herfstdag

Heer, het is tijd. Het was een grootse zomer.

Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers

en laat de wind over de velden komen.

Gebied de vruchten vol te zijn,

verleen hun nog twee zuidelijke dagen,

stuw ze naar de voldragenheid en jaag

de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer,

wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,

zal waken, lezen, lange brieven schrijven

en rusteloos de lanen op en neer

gaan als de wind de blaren voort zal drijven.

 

Rainer Maria Rilke

 

Inspiratie: gedicht: Het schone bewonderen

Het schone bewonderen,

het ware behoeden,

het edele vereren,

het goede besluiten,

kan leiden de mens

in zijn leven tot doelen,

in zijn handelen tot ’t juiste,

in zijn voelen tot vrede,

in zijn denken tot licht;

en leert hem vertrouwen

op goddelijke leiding

in alles wat is:

in ’t wijd heelal

in de eigen ziel.

 

Rudolf Steiner

Inspiratie: gedicht: Love does that

 

All day long a little burro labors, sometimes

with heavy loads on her back and sometimes just with worries

about things that bother only

burros.

 

And worries, as we know, can be more exhausting

than physical labor.

 

Once in a while a kind monk comes

to her stable and brings

a pear, but more

than that,

 

he looks into the burro’s eyes and touches her ears

and for a few seconds the burro is free

and even seems to laugh

because love does

that.

 

Love frees.

 

Thomas van Aquino (1260 – 1328)

 

Inspiratie: verhaaltje uit de bundel “Brieven aan bijna niemand anders” (Toon Tellegen)

De uil en een mooie zin om mee wakker te worden

(of mee in slaap te vallen…)

 

Aan de rand van het bos in de plataan verkocht de uil brieven.

Hij had zeldzame brieven, vrolijke brieven, zachte brieven en venijnige brieven, brieven die niet te onderscheiden waren van een regenbui of onweer of een boterbloem, brieven die konden sissen, brieven met voelsprieten en schubben, scherpe brieven waarmee je taarten kon aansnijden, brieven die brulden, brieven die konden dienen als deur, brieven die bloeiden en verwelkten en nog veel meer brieven.

Maar er kwam zelden iemand langs om een brief te kopen, en soms verkocht hij alleen een halve brief of een stukje van een brief.

Dan vroeg hij; “wilt u een stuk met Beste of een stuk met Tot gauw?” Met zijn snavel sneed hij dan een stuk uit een brief en verkocht het.

Dan maakte hij kleine stapeltjes met “Hoe gaat het met jou?” en “Met mij gaat het goed”, want die verkocht hij nogal eens aan haastige klanten. Of hij schreef lange, ernstige brieven aan niemand in het bijzonder en legde ze in laden in een kast. Die brieven verkocht hij niet, maar las hij zelf, in de winter, als er dik sneeuw rond de plataan lag.

Roerloos en met dichtgeknepen ogen dacht hij urenlang na over elk woord dat hij schreef.

Als ik echt zou schrijven wat ik denk, dacht hij vaak, dan zou ik toch dingen schrijven….

Maar hij wist niet wat hij dan zou schrijven. Want wat denk ik? dacht hij. Hij wist dat nooit.

Meestal sliep hij met dikke rimpels op zijn voorhoofd in.

Boven zijn bed hing een zin uit een brief die hij langgeleden in het bos had gevonden. Die zin las hij elke ochtend als hij wakker werd. Elke ochtend was hij weer benieuwd naar wat er precies stond.

Er stond in kleine, scheve letters:

Met mij gaat het tamelijk goed.

Als hij dat gelezen had knikte hij en kneep zijn ogen even stijf dicht. Tot zijn verbazing was hij het bijna altijd met die woorden eens.
 

Toon Tellegen
 

Inspiratie: gedicht: Zachter (muziek van Janne Schra & Noordpool Orkest)

 Het strand is wel mijn vaderland,

de zee synchroniseert nog monotoon

stromen van tegenstrijdigheden.

Toch droom ik soms, dat er een hoge boom

zou staan waaronder ik mij neer kon leggen,

een boom, die breed geloverd in terrassen

van takken vogels bergen zou.

Vogels, die zingen een voor een,

niet tegelijk, en luistrend naar elkaar.

Soms droom ik dat: wanneer ik bang

ben voor de nimmer bange meeuwen

die vrij zijn, maar nooit blij

en die niet zingen, maar òf zwijgen

òf schreeuwen.

 

M.Vasalis

Uit: ‘Vergezichten en gezichten’, 1954.

Op de muziek van Janne Schra & Noordpool orkest:

 

Inspiratie: gedicht: De jaargetijden (en muziek door Janine Jansen)

De jaargetijden

 

Die lieve lentemorgenzon

op dat gebloemd gebleekt behang en

waar de wereld mee begon

is door vergeten behang gevangen.

 

De lange zomermiddagen

waar nooit iets in gebeurde

behalve de zon en de regenvlagen

die zo naar een dennenbos geurden,

 

de nog langere herfstschemeringen

vanuit een tuinstoel ondergaan

als heimwee naar herinneringen

aan wat misschien had bestaan

 

en de eindeloze winternachten

gunnen het ondersneeuwen van de

langzaam dovende gedachte

 

dat in mijn bevroren handen

als lentezon een warme zachte

kaars had moeten branden.

 

Leo Vroman

Uit: Soms is alles eeuwig, 2009