Inspiratie: gedicht: Klein. ’s Avonds

In het hart van de storm zit ik stil.

Door grote veren bruist de wind,

wild, fris, maar ik zit warm en klein.

Door natte haren kijkt een engel binnen,

de wind strijkt al de grijze veren op zijn rug

terug

en hij zucht ongeduldig aan het raam.

Zijn lange, grijze ogen speuren rond.

Maar ik zit stil,

ik wil niet.

Dan leunt hij met z’n volle hand

nog even dringend aan de ruit,

die buigt, en schudt zijn haren uit

en bruisend vliegt hij weg van hier,

ver-waar ik hem niet volgen kan.

Ik wou niet.

Waarom huil ik dan?

Als daar muziek voor is, wil ik het horen:

ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn,

en omgeploegd met lange, diepe voren

en ongelovig. Die de wellust en de pijn

nog kennen. Die bezaten en verloren.

En àls er wijsheid is, die geen vermoeidheid is,

en helderheid, die geen versterving is,

wil ik die zien, wil ik die horen.

En anders wil ik zot en troebel zijn.

 

M. Vasalis

Uit: Vergezichten en gezichten.