Coen Verbraak praat in zijn NTR programma Kijken in de Ziel met 12 religieuze leiders, o.a. met de boeddhistische leraren Jotika Hermsen (vipassana) en Nico Tydeman (zen), over de grote vragen van het bestaan.

Aflevering 1: Een kwestie van geloof: 23-07-2018

Aflevering 2: Het hoogste woord: 30-07-2018

Broeder Frans van Assisi omhelsde een melaatse en keerde daarmee zijn leven om. Paus Frans van Rome omhelst kinderen en armen en toont daarmee aan de wereld hoe de kerk zou willen/moeten zijn, naar wie zij zich toe zou willen keren.

Broeder Frans van het Stadsklooster Den Haag prijst zichzelf gelukkig elke keer weer als mensen hem omhelzen. De dakloze, het familielid, de medebroeder, de vriendin – ieder die mij omhelst roept iets in mij wakker, laat mij voelen wat warmte is, toont mij de weg die ik mag gaan: broeder, broer te zijn van mensen.

Li, een Chinese vrouw die voortdurend vecht tegen de stemmen in haar hoofd, omhelst mij elke vrijdag als zij onze kapel bezoekt voor de viering van het Straatpastoraat. Als zij dan in haar gebroken Nederlands zegt: “Jij bent mijn broer,” dan voel ik mij diep geraakt.

Ik ben er dankbaar voor dat zoveel mensen in mij iets willen zien van hoe wij als mensen eigenlijk allemaal met elkaar om zouden willen gaan: als vriend, als licht, als herder, als familie.

In onze opleiding tot broeder en ook later werd er steeds de nadruk op gelegd wat wij voor anderen kunnen betekenen. Mijn ervaring is dat mensen er niet altijd op zitten te wachten om geholpen te worden. Voor veel mensen is het veel belangrijker, dat zij het gevoel krijgen dat zij zelf van betekenis zijn voor een ander. Dan krijgen zij het gevoel, dat hun leven zin krijgt. Je maakt een ander blij als je de ander de kans geeft om iets voor jou te doen, om iets voor jou te zijn. Willen ontvangen is voor mij even essentieel als geven.

Geven en ontvangen is een voortdurende wisselwerking, waarbij het een niet zonder het ander kan bestaan. Daarvan is de omhelzing een krachtig symbool.

Daarin zeg je zonder woorden: “Jij bent belangrijk voor mij, en ik ben belangrijk voor jou. Wij warmen ons aan elkaar. Wij beschermen elkaar. Wij ontvangen van elkaar het leven.”

Mijn leven wordt al ruim twintig jaar vorm gegeven door het Stadsklooster Den Haag.

Het motto daarvan is: “Geloven in ontmoeting”. Geloven, religies, ontmoeten elkaar rond het Stadsklooster.

Die verschillende religies hebben elkaar wat te bieden en kunnen elkaar ook behoeden om te ontkomen aan radicaliteit, aan het waanidee: “Wij zijn beter dan jullie. “Het woord “ontmoeting” is een mooi woord:

ont – moeten, zonder moeten, elkaar in vrijheid benaderen.

De omhelzing is ook zonder moeten, het is iets vanzelfsprekends.

De omhelzing moet niet, je kan ook je eigen vorm van geven en ontvangen vinden.

Broeder Bernardus riep ons op “Goed te doen, Goed te zijn”.

Daarmee gaf hij zin aan ons leven. Dat mogen wij ook oproepen bij elkaar.

In de omhelzing, in de ontmoeting mogen wij elkaar bemoedigen.

 

Geschreven door: broeder Frans Wils, Stadsklooster Den Haag (2016)

 

Het Stadsklooster – geloven in ontmoeting – mag gasten ontvangen uit de hele wereld. Zo ontving het Stadsklooster in Den Haag een aantal jaren geleden een Afrikaanse pastoor uit Burkina Faso. Een heerlijke man die genoot van zijn ontmoetingen hier. Hij wilde graag wat terugdoen en beloofde te zorgen voor een originele kerstgroep uit zijn land. Binnen twee maanden bleek al dat hij woord hield. Via-via arriveerden hier twaalf unieke bronzen beeldjes:

Jezus liggend in een gevlochten mand, Jezus als het centrum van een mandala;

Jozef, volop in beweging; Maria, in volle aandacht; twee herders: één met hak en zwaard; één met staf, hoed en lam; drie wijzen, elk op eigen koninklijke wijze; vijf dieren: een lam en een ram; een antilope en tweemaal mijn lievelingsdier: de ezel.

Een geweldige aanwinst voor onze kerststallencollectie.

Een half jaar later was ik in Kaldenkirchen, net over de grens bij Venlo. Altijd voordelig om daar even te tanken. Naast het tankstation een rommelmarkt, op het moment van sluiten. Toch even kijken, misschien nog meer voordeel te behalen. Laat ik daar nou dezelfde soort bronzen beeldjes zien staan!

Weer een twaalftal, maar nu samen een orkest vormend: twee bespelers van snaarinstrumenten; drie blazers; zes slagwerkers: twee slaan met beide handen op de trommel, drie hebben een gebogen slaghout en de laatste gebruikt twee stokken; en als piece de résistance een xylofonist.

Alles bij elkaar een prachtig orkest, dat ik in een halve cirkel rond Jezus in de mandala plaats. De andere halve cirkel wordt gevormd door de beeldjes die er al waren. Al een paar jaar genieten duizenden bezoekers van deze unieke groep.

In 2010 bekruipt mij een zekere twijfel: Waar is toch die magische cirkel uit Burkina Faso? Die zal toch wel tevoorschijn komen? Aan wie had ik die nou toch uitgeleend?? In 2012 neemt de onzekerheid toe: “Waar is onze bronzen cirkel gebleven?” Advent 2013. Vrijdagmiddag 5 uur. Ik sta bij de ingang van de Jozefkapel en begroet alle straatmensen die voor de wekelijkse gebedsdienst komen. Altijd een mooi moment. Daar komt Marcellino de trap op. Hij is een GVR (Grote Vriendelijke Reus) die een fan is van onze tuin. Officieel is die tuin op vrijdagmiddag voor onze straatmensen verboden terrein. We willen niet dat daar gedronken wordt of ‘gebruikt’. Maar voor Marcellino knijp ik wel eens een oogje dicht. Hij gaat niet naar de tuin om te drinken, maar om met aandacht te kijken naar alles wat groeit en bloeit en ook naar alle kunst. De laatste jaren heb ik regelmatig kunnen constateren dat er aardige toevoegingen verschenen in de tuin: een bijzondere steen in de schoot van het centrale beeld in de tuin; een Chinese danser van ‘ivoor’, geplaatst op een bijzondere boomstronk. Van dit soort anonieme geschenken verdenk ik Marcellino. Ik heb een leuke band met hem. Nu komt hij de kapel in en overhandigt mij een gevulde plastic tas. Als ik die in mijn handen krijg, gaat er een schok door mij heen. “O, wat ben ik blij. Hoe kom je daar aan?” “Deze beeldjes stonden enkele jaren geleden in de tuin en iemand heeft ze gepikt en ze toen verkocht aan een antiquair. Ik heb ze nu voor u teruggekocht, broeder Frans.” Ik geloof het verhaal niet, maar dat ik dat niet hoef te zeggen, maakt de blijdschap – van mij én van hem – er alleen maar groter van.

Zonder alles te zeggen, begrijpen we beiden wat er in deze ontmoeting gebeurt. Ook dit is weer: Geloven in ontmoeting – de woorden waar dit mee begon.

En daarmee is de cirkel weer rond.

Geschreven door: broeder Frans Wils, Stadsklooster Den Haag (2016)

 

En het prachtige lied “Cirkels” gezongen door Herman van Veen (live in Carre)

 

 

 

 

 

 

Wat ik wil, zegt hij, misschien

heb ik een vogel willen zijn, een zwaluw

die ik zag, daar, hoog in de bergen,

en zelf willen achterblijven

 

in de schaduw van het huis aan de rivier,

waarin hij nestelde, waaruit hij opvloog.

 

Ik herinner mij de terugkeer,

de warme schemer op het terras,

hoe ik daar zat, de wendingen volgde

van de rivier de velden in, de wazige lijnen

van de bergen in de verte omhoog,

een zwaluw, tot hij verdween.

 

Ik was moe en in gedachten

ging ik de bergen weer in, hoger en hoger,

naar die eenzame heldere wereld van steen,

zat daar weer in de wind en keek

in de diepte.

 

Misschien, zegt hij, wil ik iets

om voorgoed naar te kijken, dat huis

daar beneden, het nest dat ik zelf

heb verlaten,

 

en de wendingen van de rivier, de lijnen

van de bergen, eindelijk stilgelegd,

 

zoals het daar was, het moment dat ik

uit het zicht verdween, iets

 

dat er is buiten mij.

 

Rutger Kopland

Uit: tijdschrift Nieuw Letterkundig Magazijn, jaargang 12 (bron: DBNL)

 

Een gesprek met Rutger Kopland:

zie (samenvatting van) de documentaire De taal van het verlangen

 

OVER DE GEHEIMEN VAN HET LEVEN

 

Jij hebt natuurlijk ook je geheimen

zei hij. Wat kon ik zeggen, ieder

antwoord was waar en onwaar. Ik had

toch net geprobeerd geheimen met hem

te delen. Wat ik niet zeggen kon

was voelbaar.

 

Laten we het, om dichtbij te blijven

vergelijken met het gesprek in onze

boomgaard tussen twee lege ligstoelen.

 

 

OVER DE ZINLOOSHEID VAN HET LEVEN

 

Vind je het leven niet zinloos

zei hij. Het grint knarste onder

onze voeten. In plaats dat hij

blij was, je kon zien dat de winter

verging. Hoe bedoel je zei ik.

Hij bedoelde zinloos. De zon

scheen en de spiegel-gladde vijver

lag alweer te stinken van smerig

leven in beweging. Waarom bedroefd

zijn of boos als je niet wordt

begrepen, ik kon hem immers ook

niet volgen.

 

 

OVER DE EINDIGHEID VAN HET LEVEN

 

Maar natuurlijk kwam ik ook weer

zo’n vriend tegen die er eens zeer

diep doorheen wilde gaan, spitsuur

op een terras midden in de stad,

lekker weer, en er was nog veel aan

te doen op mijn leeftijd als je dat

zo zag. Straks zal ik er niet meer

zijn dacht ik, over veel gepraat en

weinig gezien hebben, geproefd,

gedaan. Ik zweeg daarover.

 

Rutger Kopland

Uit: Geluk is gevaarlijk (Rainbow essentials®)

Diep van mijzelf en van mijn zang vervreemd

hoor ik in twijfel niets dan toon na toon,

ontken de wijs, de oude, diep-beminde melodie,

ontken ik al wat naar verbinding zweemt,

ontdek ik in de grootste eenheid hoon.

Afzonderlijk, vervreemd, is alles wat ik zie.

 

Eén boom bespiedde ik, haast de ganse dag,

het regende gestaag en blad na blad

neeg naar beneden als een druppel woog

en drupte en rees zacht omhoog…

Zo regende het van blad op blad,

zo regende het de ganse dag.

 

Het regent en ik neig en rijs

met kleine wanhoop in het grijs

gemoed. Ik ben zo ziek…

Waar bleef de hemelse muziek,

de eenheid in het aardse zingen.

Ik hoor alleen, dat alles lijdt,

ziek van de veelheid van de dingen,

van hun volstrekte eenzaamheid.

 

Uit: De vogel Phoenix (1947), M. Vasalis

 

& Hemelse muziek (door Orkest van het Oosten)

 

 

 

 

 

Ze wacht.
Nee, denkt ze, ik wacht niet,
ik dans.

Ze danst,
ze danst met lange, ranke passen,
langzaam en aandachtig,
ze houdt haar ogen dicht,

ze danst door deuren en door ramen
en door lange lankmoedige dagen-
hout, glas en uren vallen in splinters rond haar neer-

en telkens als ze niet meer kan
en bijna, bijna valt,
denkt ze: Ik?
ik val niet, ik dans.

Toon Tellegen
Uit: Kruis en munt
Querido/Poetry International,
Amsterdam/Rotterdam 2000.

 

Afbeelding: Edgar Degas (1834 -1917), Danseresje van veertien

Dit laat hij zien in het portret

van zijn zoon – het nadenken van een kind

hoe ernstig hoe stil dat gezicht is

hoe het kijkt alsof het kijkt in een verte

 

en je weet dat zijn ogen daar niets zien

dat hij kijkt naar iets achter zijn ogen

alsof hij zoekt naar woorden voor

wat er daarachter leeft

 

hij laat ook de hand zien van dat kind

hoe het met een duim op zijn kin

en met een pen op een papier

wacht op wat het gaat schrijven

 

en niemand weet waar het op wacht

ook dat kind niet

 

dat is wat wij zien – dat

iets niet geschreven kan worden

 

Rutger Kopland (Uit: “Geluk is gevaarlijk”, een keuze uit gedichten; uit: “Toen ik dit zag”)

 

*Bij het gelijknamige schilderij van Rembrandt, 1655

 

Titus aan zijn schrijftafel
olie op canvas

Zie hier het interview met de curator van het museum Boijmans van Beuningen over Rembrandt’s schilderij: “Titus aan de lezenaar”

 

Een bezoek aan het Kashima heiligdom

De Japanse dichter Basho schreef vijf verhalen over de zwerftochten die hij in de 17e eeuw maakte door de onherbergzame streken van Japan. Gebeurtenissen onderweg, de schoonheid van het landschap en zijn eigen ervaringen worden afgewisseld met korte gedichten – haiku’s – waarin hij zijn belevenissen als in een flits weergeeft. Het reisverslag geeft een helder inzicht in het raadselachtige leven van de dichter, en de moeilijkheden die hij ondervindt bij het reizen en bij het zoeken naar zichzelf.

Denkend aan de dichter Teishitsu uit Kyoto, gaat Basho op een dag in de herfst weer op reis, bezeten door een onweerstaanbaar verlangen om de volle maan boven het Kashima Heiligdom te zien opkomen. Op deze reis werd hij vergezeld door twee mannen. De één was een jongeman die geen meester had en de ander een zwervende priester. In Fusa, een stad aan de rivier de Tone, huurden zij een boot, en terwijl ze onder de heldere stralen van de maan de rivier afvoeren, kwamen ze bij het heiligdom aan.

De volgende dag echter begon het in de middag te regenen en konden ze op geen enkele manier de opkomst van de volle maan zien.

Basho vertelt dan:

“Men vertelde mij dat de voormalige priester van de Komponji tempel op een eenzame plaats leefde aan de voet van de heuvel waar het heiligdom stond. Ik ging hem opzoeken en kreeg daar onderdak voor de nacht. Het was zo rustig in de kluizenaarshut van de priester dat het in de woorden van een oude dichter “een diep gevoel van meditatie” in mijn hart opriep, en gedurende enkele ogenblikken was ik tenminste in staat om het spijtige gevoel te vergeten dat ik had, omdat ik de opkomst van de volle maan niet had kunnen zien.

Kort voor het aanbreken van de dag begon de maan echter tussen een spleet in de wolken door te schijnen. Ik maakte onmiddellijk de priester wakker en de andere leden van de huishouding kwamen ook uit bed. We zaten lange tijd in uiterste stilte en keken naar het maanlicht dat probeerde om door de wolken heen te breken en luisterden naar het geluid van de druilerige regen. Het was werkelijk heel jammer dat ik zo’n lange weg had afgelegd om alleen maar naar de donkere schaduw van de maan te kijken, maar ik troostte mijzelf door aan de beroemde vrouw te denken die zonder één enkel gedicht te schrijven teruggekeerd was van een lange wandeling die zij gemaakt had om de koekoek te horen.”

 

Basho en zijn twee medereizigers hebben bij deze gelegenheid de volgende gedichten gemaakt:

Zich niet bekommerend om het weer

schijnt de maan hetzelfde;

maar door de drijvende wolken

lijkt het anders.

                (de priester)

 

De maan

even aan de hemel,

de boomtoppen eronder

druipen van regen.

                (Basho)

 

Nadat ik geslapen had

in een tempel,

keek ik naar de maan met een plechtige blik.

                (Basho)

 

Nadat ik geslapen had

in de regen,

richtte de bamboe zich vanzelf op

om naar de maan te kijken.

                (Sora)

 

Hoe eenzaam is het

naar de maan te kijken,

en in een tempel te luisteren

naar het kletteren van de regendruppels.

                (Sora)

 

Uit: Reisverslag van een verweerd skelet, Matsuo Basho

Vertaling uit het Japans naar het Engels: Robert Hartzema

Uitgeverij Meander, 1977

Heer, het is tijd. Het was een grootse zomer.

Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers

en laat de wind over de velden komen.

Gebied de vruchten vol te zijn,

verleen hun nog twee zuidelijke dagen,

stuw ze naar de voldragenheid en jaag

de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer,

wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,

zal waken, lezen, lange brieven schrijven

en rusteloos de lanen op en neer

gaan als de wind de blaren voort zal drijven.

 

Rainer Maria Rilke