Wat ik wil, zegt hij, misschien

heb ik een vogel willen zijn, een zwaluw

die ik zag, daar, hoog in de bergen,

en zelf willen achterblijven

 

in de schaduw van het huis aan de rivier,

waarin hij nestelde, waaruit hij opvloog.

 

Ik herinner mij de terugkeer,

de warme schemer op het terras,

hoe ik daar zat, de wendingen volgde

van de rivier de velden in, de wazige lijnen

van de bergen in de verte omhoog,

een zwaluw, tot hij verdween.

 

Ik was moe en in gedachten

ging ik de bergen weer in, hoger en hoger,

naar die eenzame heldere wereld van steen,

zat daar weer in de wind en keek

in de diepte.

 

Misschien, zegt hij, wil ik iets

om voorgoed naar te kijken, dat huis

daar beneden, het nest dat ik zelf

heb verlaten,

 

en de wendingen van de rivier, de lijnen

van de bergen, eindelijk stilgelegd,

 

zoals het daar was, het moment dat ik

uit het zicht verdween, iets

 

dat er is buiten mij.

 

Rutger Kopland

Uit: tijdschrift Nieuw Letterkundig Magazijn, jaargang 12 (bron: DBNL)

 

Een gesprek met Rutger Kopland:

zie (samenvatting van) de documentaire De taal van het verlangen