Diep van mijzelf en van mijn zang vervreemd

hoor ik in twijfel niets dan toon na toon,

ontken de wijs, de oude, diep-beminde melodie,

ontken ik al wat naar verbinding zweemt,

ontdek ik in de grootste eenheid hoon.

Afzonderlijk, vervreemd, is alles wat ik zie.

 

Eén boom bespiedde ik, haast de ganse dag,

het regende gestaag en blad na blad

neeg naar beneden als een druppel woog

en drupte en rees zacht omhoog…

Zo regende het van blad op blad,

zo regende het de ganse dag.

 

Het regent en ik neig en rijs

met kleine wanhoop in het grijs

gemoed. Ik ben zo ziek…

Waar bleef de hemelse muziek,

de eenheid in het aardse zingen.

Ik hoor alleen, dat alles lijdt,

ziek van de veelheid van de dingen,

van hun volstrekte eenzaamheid.

 

Uit: De vogel Phoenix (1947), M. Vasalis

 

& Hemelse muziek (door Orkest van het Oosten)